Nematoden of aaltjes zijn microscopisch kleine wormachtige diertjes die in grote aantallen in de bodem voorkomen. Meestal leven ze van organisch afval, in sommige gevallen leven ze in of ten koste van hogere planten en kunnen in grote aantal flink wat schade doen aan voedingsgewassen. Aaltjes worden door een groot aantal schimmels belaagd uit heel verschillende groepen. Zowel protoctisten (Chytridiomyceten, Oomyceten) als Eumycota (vnl. conidiën vormende anamorfen van ascomyceten en basidiomyceten).
Deze schimmels vallen uiteen in twee groepen als je kijkt naar de manier waarop ze de nematoden weten te pakken te krijgen:
- Via sporen of conidiën
- 1. Via beweeglijke sporen.
De flagellate zoosporen van Chytridiomyceten en Oomyceten kennen voortbeweging. Ze kunnen dus zelf naar hun prooi toezwemmen. Ze worden veelal aangetrokken door een chemische stof die door het aaltje wordt afgescheiden (chemotaxis). Eenmaal bij het aaltje aangekomen kapselen ze zich in, meestal in de buurt van de anus of de mond van het slachtoffer en penetreren door de huid. Binnen de gastheer ontwikkelt zich een mycelium, waarop zoosporangia worden gevormd als de gastheer is geconsumeerd breekt de huid open en komen de zoosporen vrij om een nieuwe gastheer op te zoeken. -
2. Injectie via harpoencellen.
De oomyceet Haptoglossa is uniek onder schimmels. Hij vormt niet beweeglijke sporen die zich hebben ontwikkeld als harpoencellen. De harpoencel zit aan het substraat vastgekleefd onder een schuine hoek en staat als een soort kanon opgesteld. Binnen in de cel heerst een hoge druk. Kont de top van de harpoen in aanraking met een vrijzwemmende aaltje, dan schiet het inwendige harpoen met kracht naar buiten en hecht zich in de huid van het aaltje. Vervolgens vormt zich in het aaltje mycelium en uiteindelijk sporangia. De sporen groeien uit tot een nieuwe harpoencel. -
3. Kleverige sporen.
Veel hyphomyceten produceren kleverige conidiën die aan een aaltje kleven
en vervolgens penetreren. Binnen het aaltje vormen ze mycelium, en conidiëndragers die uit het aangetaste aaltje steken. -
4. Opgegeten sporen
Sommige hyphomyceten produceren sporen die worden gegeten door
aaltjes. De conidiën van sommige hyphomyceten hebben uitsteeksels waarmee ze blijven haken in de darm van een aaltje, waarna ze kunnen penetreren in de lichaamsholte van hun gastheer. Een bekend geslacht is Harposporium.
-
Nematodenvallen: aaltjesvangende schimmels
-
1. Kleverige vegetatieve hyfen.
Een aantal Zygomyceten heeft kleverige hyfen waaraan aaltjes blijven kleven. -
2. Loslatende kleverige knoppen
Een aantal hyphomyceten maakt speciale zijtakjes aan de hyfen die zijn voorzien van een kleverige knop. De knopjes steken uit het substraat net ver genoeg om een passerend aaltje te vangen. De knop breekt af en kan het aaltje infecteren. -
3. Vastzittende kleverige knoppen
Een derde groep van hyphomyceten maakt kleverige knoppen aan de hyfen die vast blijven zitten aan het mycelium. Het aaltje blijft daardoor aan de schimmel vastgehecht en kan worden geconsumeerd. -
4.Kleverige netwerken
De hyfen vormen door versmelting twee- tot driedimensionale netwerken waarmee ze nematoden vangen. Is een aaltje eenmaal gevangen, dan penetreert een hyfe in het lichaam en scheidt een toxine af waardoor het aaltje verdooft. De schimmel voedt zich dan een tijdlang aan het levende weefsel. -
5. Niet samentrekkende ringen
Een hyfe groeit uit tot een cirkel. Als een aaltje door de ring zwemt, breekt deze af en wordt meegevoerd. Uit de ring kan de schimmel het aaltje binnendringen. -
6. Samentrekkende ringen of lasso's.
Wanneer het aaltje een ring binnen zwemt, zwelt deze plotseling sterk op en het aaltje kan niet meer weg.
In de laatste decennia groeit het inzicht dat we met chemische
bestrijdingsmiddelen niet alle plagen die onze voedselproductie bedreigen, kunnen weerstaan. (resistentie; giftigheid voor mens & milieu). Daarom zoekt men naar biologische bestrijding: het inschakelen van een natuurlijke predator, parasiet of competitor tegen het te bestrijden organisme.
Schimmels hebben hierbij het voordeel dat ze vaak specifieke werking hebben
en doorgaans g makkelijk in grote hoeveelheden te kweken zijn. Een nadeel is dat een schimmel vaak te langzaam werkt bij plagen en de schade dan al is geschied. Vandaar dat schimmels vaak worden ingeschakeld bij geïntegreerde bestrijding.
Een paar voorbeelden:
- Beauveria bassiana. Dit is een hyphomyceet (deuteromycota) die ontdekt is als parasiet van de zijderups. Nu wordt de schimmels met succes toegepast bij de bestrijding van de Colordokever.
-
Entomophthora (Zygomycota). Deze schimmel wordt massaal geproduceerd ter bestrijding van insectenplagen.
-
Bij de bestrijding van de iepziekte wordt momenteel gezocht naar de mogelijkheid om het natuurlijke pathogeen Phomopsis oblonga in te schakelen bij de bestrijding van de kevers van het geslacht Scolytus die verantwoordelijk zijn voor de overbrenging van de Ophiostoma ulmi, die de iepziekte veroorzaakt.
- Coelomyces (Chrytridiomycota) is een schimmel die van nature parasiteert op de larven van de malariamug, die op haar beurt weer de vector is van de verwekker van malaria.