|
|
Onder strooisel verstaan we de resten van planten (en
dieren) die op de bodem terecht komen en voor het grootste deel nog
onverteerd is (blad, naalden, verwelkte bloesem, afgewaaide takken
en takjes, vruchten, enzovoort). In onze streken gebeurt dat voornamelijk
in de herfst. Collybia's (Gymnopus) breken het dode blad af dat op de bosbodem ligt |
![]() |
![]() ![]() |
![]() |
Hierboven zijn foto’s opgenomen van drie belangrijke geslachten van strooiselafbrekers: van links naar recht: een takjesruitertje (Marasmiellus soort) op dode takjes; een Schijnridderzwam (Lepista nuda), een heel algemene soort die vooral dode bladeren afbreekt, en een Reuzenparasolzwam (Macrolepiota), die in de zomer en herfst talrijk te vinden is in gemengde bossen. |
|
Successie Het verse strooisel bevat nog veel suikers en cellulose, die als eerst worden verteerd, voornamelijk door schimmels uit de groep van de deuteromyceten. Deze groep leidt een verborgen leven, en is hoogstens zichtbaar als een schimmelovertrekje over het substraat, soms met minuscule vruchtlichaampjes (meer hierover op de deuteromycetenpagina). Als de suikers en cellulose voor het grootste deel zijn afgebroken, komt de lignine aan de beurt. Hierbij spelen vooral paddestoelen een rol (basidiomyceten en in mindere mate ook ascomyceten). |
|