LEVENSCYCLUS VAN EEN PADDENSTOEL (HOLOBASIDIOMYCEET) |
 |
Uit de haploide basidiosporen kiemt een primair mycelium, dat eveneens haploid is. Dit mycelium is kortlevend, en moet, voor een verdere voorzetting van de cyclus, een eveneens haploid primair mycelium van een andere polariteit tegenkomen om te kunnen fuseren (plasmogamie). Er ontstaat dan een dikaryotisch mycelium. Dit mycelium is levenskrachtig en vormt de zwamvlok, waarop onder gunstige omstandigheden vruchlichamen (paddenstoelen) worden gevormd. In dit voorbeeld van de vliegenzwam, wordt op de plaatjes een hymenium gevormd, dat bestaat uit netjes naast elkaar gerangschikte basidiën. In een jong basidium treedt karyogamie (K) op: de de twee kernen van de oorspronkelijke "oudermycelia" fuseren tot de diploide (2n) kern. Deze kern migreert naar de top van het basidium, en ondergaat een reductiedeling (meiose, M). Op deze wijze ontstaan 4 haploide kernen. Deze kernen migreren door de sterigmen (steeltjes) naar de zich ontwikkelende sporen. Als de sporen rijp zijn, worden ze met kracht afgeschoten, zodat ze tussen de plaatjes naar beneden kunnen vallen. Dan worden ze door de wind opgenomen en verspreid. Als de basidiosporen op een gunstige plaats terecht komen, kunnen ze kiemen tot een primair, haploid mycelium, en is de cyclus rond.